Verslag 2005, Blote billen in Battice door Jan Fokke Oosterhof

Leiden, 13 november, 7.10 uur – Er trilt iets naast mijn oor. Mijn mobiele telefoon doet vreemd, als ik probeer op te nemen hoor ik niets. Wanneer ik de voicemail bel, hoor ik de stem van Marcel die meldt dat Paul bij hem is, en belangrijker: ik niet. SHIT! De wekker heeft het niet gedaan en door het zachte piepen van mijn mobiele telefoon ben ik heengeslapen. Gauw Marcel bellen dat ik eraan kom. Ai verkeerde Marcel gebeld, Marcel B in plaats van Marcel W. Betreffende Marcel neemt niet op, logisch, want we hebben gisteren tot 3.30 een biertje gedaan en in twee kroegen het licht uitgedaan. Beetje aan alcohol verslaafd, véél meer aan sport, vandaar dat ik binnen 5 minuten beneden sta. Een niet ideale preparatie zullen we maar zeggen.

We gaan op weg naar de 4 Cimes du Pays de Herve, vrij vertaald als de 4 lompste bultjes van het land van Herve, getuige ook het hoogteprofiel. De 33 kilometer van Battice dus, volgens de organisatie een van de zwaarste wedstrijden van de Belgische kalender, een loop waar de ‘berggeest’ troef is en waar je niet moet vergeten dat slechts 2 kilometer vlak is. ‘Bravo voor je moed… en dank voor je trouw’, lees ik in de brochure, ‘Bravo pour votre courage’, SLIK...

Na een wat trage start dus, verloopt de heenreis avontuurlijk, te beginnen met een spookrijder op de N11, die gelukkig zijn dwalingen heeft ingezien en achteruit terugrijdt naar de kruising. Paul entertaint ons met uitweidingen over ‘temperatuurmanagement’ en het ‘kopje van Bloemendaal’. Het eerste betreft de kunst om geen hittestuwing op te lopen gedurende lange wedstrijden met heel warm weer. Het tweede heeft iets van doen met het trainingsrondje van Paul, maar de exacte toedracht is verloren gegaan in de hilariteit van dat moment. Precies om 9.30 uur rijden we Battice binnen.

Iedereen loopt ongeduldig rond, wij niet, wij hebben een Paul. Via een zijdeurtje loodst hij ons de sportzaal in, waar iedereen met sportkleding in de weer is. Een verdwaalde sporter loopt in z’n blote kont rond – schaamteloos – later die dag zouden we niet meer anders gewend zijn. Paul loodst ons via een ander zijdeurtje naar het gebouw waar we de startnummers moeten ophalen. In een uiterst smal gangetje hangen lijsten aan de muur, alwaar je kan kijken welk startnummer aan je is toegewezen. Iedereen (1250 deelnemers) moet door dit uiterst smalle gangetje, waar duwen en trekken de norm is, en moet hier turen naar de lijsten die in hele kleine lettertjes alle namen tonen. Paul gniffelt ingetogen, hij kent dit tafereeltje als zijn broekzak. ‘Ieder jaar hetzelfde liedje’, zegt hij, ‘dat maakt dit zo’n typische, kneuterige wedstrijd’. Aan het eind van het smalle gangetje belanden we in een ruime zaal waar verschillende tafels staan waar startnummers worden uitgereikt. We zoeken onze tafel op, het is uiterst rustig, behalve bij die tafel. Da’s mooi want dan kunnen we gaan bedenken hoe we onze startnummers (739, 740 en 744) in het Frans moeten vragen. ‘septcentquarantequatre’, stamel ik binnensmonds, waarop de man opkijkt en me niet begrijpend aankijkt. Marcel is bijdehand en wijst met zijn vingertje zijn naam aan op de lijst. Ziedaar het verschil tussen de èchte reiziger en de toerist.

Via een verborgen zijgangetje loodst Paul ons naar buiten, om via een nieuw zijdeurtje weer in de sportzaal terecht te komen. Hier begint het aloude ritueel, dat kan worden gevisualiseerd met één kort zinnetje dat zeker elke dame bezigt ‘wat trek ik aan vandaag?’. Marcel laat dit direct volgen met het zinnetje ‘trek je dát aan!?’, waarop ik mijzelf altijd direct van boven tot onder in ogenschouw neem, mijzelf afvragend wat er mis is met mijn tenue, om daarop iets anders aan te trekken. IJdel als de nacht.

Ik heb vandaag mijn ASICS-Kayano muiltjes bij me, de wonderstappertjes die me over 78,5 kilometers bergpaden hebben gedragen tijdens de Swiss Alpine Marathon, zonder een enkel schuurplekje op één van beide voeten. Met mijn hart vervuld van nostalgische gevoelens ontdoe ik de muiltjes van hun drievoudige knoop. Vandaag zal ik ze voor het eerst weer aan mijn voetjes doen.

Ook Paul kiest met zorg zijn uitrusting, zodat hij na een kwartiertje trutten tegenover me staat als een vloekende lappendeken (dat vloeken slaat op gedurfde kleurencombi’s). Een blauwe lange tight, een smetteloos wit shirt van AGU (Paul is official AGU-testperson), een rode bodywarmer, schoenen met oranje erin en een BUFF met weer andere kleurtjes. Op dat moment lopen we gelukkig de andere Leiden Atletiekers tegen het lijf en kan ik mijn blik van Paul afwenden. De mannen zijn gisteren reeds gearriveerd en hebben ongetwijfeld meerdere malen diep in een glaasje gekeken, hetgeen opgemaakt kan worden uit glazige blikken. Een gezellig groepje. Deze mannen zijn uit het juiste hout gesneden, zij zijn van het slag ‘zo gij zuupt, zo gij loopt’ (vrij vertaald niet lullen, maar lopen). Na het uitwisselen van enkele blikken van herkenning zijn we er klaar voor.

Nonchalant joggen we naar buiten, om bijna van DE MUUR af te lazeren. De muur staat voor de Crête de Bouxhmont of letterlijker: de Mur de Bouxhmont. Een steile afdaling van dit bultje volgt, die je straks bij het finishen in omgekeerde richting zal ervaren als het opklauteren van een ravijn met overhangende wanden. Tik willekeurig waar in België een loper op de schouder en zeg ‘Mur’ en je zult de ogen van betreffende loper angstig zien opensperren, waarna hij wegkruipt in een hoekje. We dalen af en blijven afdalen, je kan hier skiën.

Marcel en ik houden nonchalant staande om een heggetje van vocht te voorzien, wanneer Paul een vreemde constatering doet. We zijn net vanaf de start het 32-kilometerpunt gepasseerd en nu 100 meter voorbij het punt waar we de heg bewateren, staat een bord dat aangeeft dat er nog een kilometer te gaan is, en dat bij een wedstrijd van 33 kilometer. Peinzend lopen we terug, laat de fameuze Franse slag zich hier gelden of is de berggeest met bordjes in de weer geweest?

Een voordeel van het fenomeen muur is dat het zich uitstekend leent voor het opwarmen van de spiertjes. Marcel is gretig, misschien wel te gretig. Zijn ogen spuwen vuur en hij kijkt als een geconcentreerde havik die een klein hulpeloos konijntje gaat verscheuren, om de uiteengereten bloederige ingewanden te kunnen verorberen. Na deze beeldende metafoor, waarmee ik Marcel’s intenties betreffende de wedstrijd tracht te visualiseren, gaan we over tot de startformaliteiten. De start betreft hier geen schot, neeneen, zo niet hier! Hier gaan we los met een noot. Een noot???

Vanaf de officieuze start moeten we een – voor ons gevoel uiterst traag lopend – orkest volgen tot de officiële start. Daar wordt het muisstil, tot men begint af te tellen. Daarna volgt een lange, warme, diepe, verlossende noot (van een tuba?), waarna de lopers zich als één massa op hol geslagen stieren in Pamplona, van de muur afwerpt. Ik zie (lange) Marcel zich meteen vooraan in het strijdgewoel mengen. Later krijg ik foto’s onder ogen van de start waarop hij zich meet met de toppertjes. Hij gaat (alles) hard weg en zijn eerste kilometer doet ie effe in 2.53. Even laten voelen wie de baas is, een speldenprikje, waar hij later totaal geen enkel vervolg aan kan geven.

Halverwege de Mur komt Paul aan me voorbij in zijn hagelwitte AGU-shirt, een mooi mikpunt dat ik nog 17,7 kilometer in het vizier zou houden. Ik kan dit – als beducht daler – niet op me laten zitten en via een perkje passeer ik hem en trek hard door. Ik hoor later dat hij danig onder de indruk was van mijn subtiele wijze van imponeren. Niet veel later gaat Paul weer aan mij voorbij als ik in een weiland sta te plassen. Paul ziet me niet (hij is dan reeds zijn wedstrijdscherpte kwijt) en ik sluit direct weer aan, om zonder zijn medeweten ruim 17 kilometer op z’n hielen te blijven zitten.

We kringelen door het landschap dat zich laat kenmerken door bulten, heuvels en rondingen en inderdaad: nog geen 2 kilometer laat zich kenmerken als ‘vlak’ (op dit punt geen Franse slag bij het organiserend comité). Al snel sluit ik aan bij een grote schare lopers die zich heeft verzameld rondom de eerste dame (ja, ze ziet er goed uit). Ze heeft er heerlijk de pas in en onder de bezielende leiding van haar twee hazen houden we er een uur lang een tempo van 16,1 kilometer per uur op na. Dit zowel bergop als bergaf, waarbij ik bergop volstrekt buiten adem raak en in de afdaling mijn adem weer terugvindt. Het irriteert me mateloos dat de betreffende dame zowel bergop als bergaf ronduit kletst met begeleidende hazen en ATB-ers. Waarom raakt ze niet buiten adem? Kan ze dan nog harder? Na ongeveer 5 kilometer krijgen we de eerste Cime voor de kiezen, de Croix de Charneux. Elke kilometeraanduiding gaat gelukkig gepaard met een hoogteprofiel, zodat je gedurende de wedstrijd precies op de borden kan zien hoe lang de martelgang nog duurt. Op 16 kilometer ronden we de tweede Cime (klinkt als Crime), de Cime de Mortroux, een venijnig recht stuk asfalt dat de kuiten doet zwellen.

Op 100 meter afstand volgen we Paul, die zich van geen achtervolgend onheil bewust is. Hij denkt vast dat zowel Marcel als ik voor hem zitten, uit het zicht nog wel. Misschien gaat hij wel (te) hard in de achtervolging en blaast hij zich op! Maar Paul kennende is dit niet het geval en deze gedachte leg ik maar snel naast me neer. Paul ontleedt elke detail en weet donders goed wat ie doet in tegenstelling tot de jonge honden die in de eerste plaats te veel bier drinken de avond voor de wedstrijd, in de tweede plaats door de wekker heenslapen en die ten slotte tot vlak voor de start in de veronderstelling zijn dat het hier een off-road wedstrijd betreft in tegenstelling tot de wegwedstrijd die het is.

Deze laatste misvatting begint mij op te spelen. Eén van de naweeën van de Swiss Alpine Marathon is het ‘vastzitten’ van mijn heup. Hierdoor wordt ik rechts geremd in mijn loopbeweging en ga ik ietwat geforceerd afwikkelen, hetgeen leidt tot pijntjes in de knie en de onderrug. Na 18 kilometer bergop en bergaf over het harde asfalt beginnen de onderdelen steeds harder te piepen en is een shot olie zelfs niet meer in staat mij te smeren: doorlopen is eenvoudigweg géén optie en ik staak dan ook mijn wild geraas. Op precies het verste punt gooi ik het bijltje erbij neer en het duimpje op, ofwel ‘faire du stop’ en al snel pikt een bolide mij op (Fokke, jogen, da’s meervoudige rijmcompilatie, briljant). Zwetend neem ik plaats op de bijrijderstoel en al snel mik ik maar mijn Hardloopwinkelpetje onder mijn natte kont om zoutkringels in de stoel tegen te gaan. Precies op tijd arriveer ik aan de finish om Marcel en Paul te zien binnenkomen.

Marcel heeft een getekende kop na het beklimmen van de Mur en Paul zit m vlak op de hielen. Naar eigen zeggen is Marcel een tikkie hard gestart: 2.53 op de kilometer, 17.53 op de 5, 38 op de tien en méér dan 15 in het uur. Hij heeft afgezien en de zweetkringen op zijn kop verraden dat. De laatste 6 kilometer heeft hij veel gewandeld omdat hij geteisterd werd door krampaanvallen en ook nu schiet hij zo nu en zo dan in een spastische stuip, wanneer zijn spieren zelfstandig aan de slag gaan. Paul blijkt – vlak na mijn uitstappen – eveneens met de eerste dame opgelopen te hebben, tot ze keuvelend ook hem achter zich liet. Eén voor één druppelen ook de andere Leiden Atletiekers binnen. Allemaal hebben ze succesvol hun 33 kilometers volbracht en in gedachten zijn ze reeds bij hun finishbiertje.

In de gymzaal verkleden we ons en verfrissen we ons met een douche. We begeven ons met z’n allen naar de kantine waar we op vertoon van ons startnummer een gratis bord met streekgerechten krijgen. Het geheel vergezeld door een prachtige donkere Val Dieu, een Belgisch biertje naar ons hart. Niet heel lang blijven we zitten, want we zijn rozig en de oogjes willen maar wat graag toe, hetgeen zich ook uit in een powernap van zowel Marcel als mijzelf in de auto op de weg terug.

Voor de laatste keer gaan we via Paul’s zijdeurtje de gymzaal binnen om onze sporttassen te pakken. Daar waar vanochtend slechts een enkeling met de billen bloot ging, is het nu een waar billenbal in Battice. Daar waar iedereen de 4 Cimes heeft gerond en de Mur heeft beklommen, deert het allemaal niet meer, is de alomtegenwoordige gedachte. Enkele giechelende Amerikaanse dames nemen het woord ‘peepshow’ in de mond, maar piemelshow is volgens ons eerder de benaming. Blote billen en piemels in Battice. Het ziet er klungelig uit en je vraagt je af hoe het toch kan dat al deze mensen hun 33 kilometers hebben kunnen volbrengen. Maar dan schiet me een kreet te binnen van Filosoof Matthijs van Boxel die ik een keer gelezen heb in Filosofie Magazine: de mens is de enige diersoort die zo stompzinnig is om krijsend ter aarde te komen en zo de aandacht te trekken van de wilde dieren.Misschien is dat de verklaring: we moesten al direct rennen en wilde dieren van ons afschudden.

Zucht. Blote billen in Battice…