Lopen in de Hel van de Ardennen. (Jeroen Zwitserloot)

Als begeleider van de lopersgroep Mierlo is een van je voordelen dat je het blad runnersworld ontvangt. Een leuk hardloopblad met iedere keer een beschrijving van een ultraloop, waarvan je je afvraagt wie daar in hemelsnaam aan mee zou willen doen. Ongeveer een jaar geleden stond er echter een beschrijving in van “Les Quatre Cimes de Pays de Herve”, een duurloop van 33 kilometer door de Belgische Ardennen. De loop is uitgezet door vier vrienden die als doel hebben gehad om de hardloper van zoveel mogelijk vergezichten te laten genieten. Hierdoor moeten er wel veel heuvels worden beklommen en wordt deze tocht ook wel de hel van de Ardennen genoemd. Er hoeft geen inschrijfgeld te worden betaald en na afloop is er voor iedereen een gratis Cassecroute (?). Les Quatre Cimes leek mij dus wel een leuke uitdaging en een leuk startpunt voor de voorbereiding van de marathon van Londen in 2011.

Het enige probleem van mijn voorbereiding was, dat het erg lastig is om in Brabant hoogte meters te maken die te vergelijken zijn met wat me in de Ardennen staat te wachten. Gelukkig zijn wij in de buurt van Mierlo gezegend met de Gulberg, het hoogste punt van Brabant. Deze ben ik dan ook in totaal 50 keer omhoog en omlaag gelopen, ik ken nu dus iedere bocht, kuil en steen uit mijn hoofd.

14 november is het dan zover, samen met drie andere loopvrienden uit Limburg rijden we een beetje gespannen naar het Battice, het dorp waar het startschot zal worden gegeven. Het heeft de afgelopen dagen alleen maar geregend, delen van de Ardennen zijn afgesloten vanwege wateroverlast en de voorspellingen zijn dat het ook vandaag weer de hele dag gaat regenen. Gelukkig is het in de ochtend nog droog, maar we zijn benieuwd wat we vandaag mee gaan maken, de bijnaam van de loop lijkt zich in ieder geval waar te gaan maken. r> Na te zijn ingeschreven, omgekleed en drie keer naar het toilet te zijn geweest, is het tijd om buiten in te gaan lopen. Op het moment dat we willen gaan rekken, horen we een traktor met een platte kar de hoek omkomen. Op deze platte kar staan een tiental mannen en vrouwen op grote ijzeren vuilnisbakken te slaan. Het is het teken dat alle lopers zich moeten verzamelen om in optocht naar de start te lopen. Het trommelen wordt steeds harder, het aantal lopers neemt toe en de spanning stijgt.

Zodra het startschot heeft geklonken, gaat het meteen schrikbarend steil naar beneden. Iedereen houdt zich in, remt af en is stiekem al een beetje bang voor de laatste 500 meter als we deze weg ook weer naar boven moeten lopen. Dat gaat in ieder geval pijn doen.
Na de halve marathon van Eindhoven ben ik verstandiger geworden en besluit rustig te starten. Samen met twee Limburgse vrienden loop ik rustig mee in het lange loperslint dat zich voor en achter ons ontvouwd. Het lopen gaat prima, de beklimmingen zijn pittig maar nog niet zo heel erg lang. We genieten van het uitzicht en soms schijnt zelfs de zon tussen de wolken door.
Pas als we bij de voet van de tweede cimes zijn, bij kilometer 12, begin ik te begrijpen dat dit geen grapje is. We hebben net 1,5 kilometer lang met onze bovenbenen de klappen van het afdalen op moeten gevangen, als de weg ineens omhoog buigt om vervolgens twee kilometer lang fors te stijgen.

Ik voel me echter erg goed en laat tijdens de beklimming mijn twee medelopers achter en loop alleen verder. Tijdens de volgende afdaling begint het hard te regenen en krijg ik spijt van mijn korte broek en t-shirt met korte mouwen.
Bij kilometer 20 aangekomen, begint de wedstrijd met jezelf pas echt. In het eerste deel loop je namelijk meer naar beneden dan naar boven. De laatste 13 kilometer zijn precies andersom, te beginnen met anderhalve kilometer klimmen (gemiddeld 10%). Om mij heen zijn al veel lopers die de overstap hebben gemaakt naar de wandelgroep. Vreemd genoeg gebeurt dit vaak boven op een heuvel en niet tijds het beklimmen ervan.
Ondanks de straffe wind tegen kan ik mijn tempo goed vasthouden en vooral bergop haal ik de ene na de andere loper in. Wel voel ik dat er al erg veel afvalstoffen in mijn benen aan het ophopen zijn. Komende week mag Willy vd Lee weer even flink aan de gang.

Bij het laatste steile stuk bergaf hoor ik diverse lopers om mij heen een korte angstkreet uitslaan voor de pijn die hun bovenbenen staan te wachten. Mijn benen doen ook niet helemaal meer wat ik wil, maar het doet me goed dat er nog maar twee kilometer te gaan zijn tot de finish en dat er nog steeds geen kramp in mijn benen is geschoten.
NoNog even en dan sta ik aan het begin van de muur van Bouxhmont, de laatste beklimming van meer dan 10% kan beginnen. Zodra ik de bocht door ben, overzie ik het slagveld. Bijna niemand is meer aan het hardlopen. Iedereen wandelt met een van pijn verbeten gezicht naar de finish. Dit laat ik mij niet gebeuren. Aangemoedigd door het opgeven van de andere lopers, besluit ik in hoog tempo naar boven te gaan. Eindelijk de finish, eindelijk warme thee.

Na warm gedouched te hebben, leveren we ons startnummer in en krijgen we de Cassecroute uitgereikt: een bord met drie sneden brood, drie grote stukken abdijkaas, appelstroop en een groot glas Val-Dieu Abdijbier. We schuiven aan bij de lange tafels en delen onze ervaringen met lopers uit Breda, Weert en Amsterdam. We genieten van nog twee Val-Dieu biertjes en de muziek van een saxofoon spelende Yeti (volgens mij is hij ooit in een Jambers uitzending verschenen) en zo wordt het langzaam tijd om weer naar Nederland te gaan.

Tijdens het naar de auto lopen, merken we dat de benen wat apart aanvoelen. Zouden het de biertjes zijn of de inspanning tijdens de 17 beklimmingen? Ik weet in ieder geval wel, dat ik klaar ben voor de Gulbergenloop in januari.

Jeroen Zwitserloot