LES QUATRE CIMES - Hemelse uitzichten, hels voor de benen (RunnersWorld, Jan-2010)

Les Quatre Cimes du Pays de Herve loopt over maar liefst zeventien heuvels. Maar zelfs de hevigste spierpijn wordt verzacht door sprookjesachtige uitzichten en door een ongeëvenaarde gastvrijheid.

Ooit sneeuwde het tijdens de Ouatre Cimes, het vroor stenen uit de grond, de toppers strompelen als sneeuwmannetjes over de streep en ademden dampwolken uit. Ooit was het er 24 graden, kleurden de gezichten rood als schorpioenen en liepen er mannen in ontbloot bovenlijf. En ooit daalde er een zondvloed neer: de dagen ervoor had het onophoudelijk geplensd, op de dag zelf stonden de hemelsluizen nog wijder open. Het water van de rivieren stroomde letterlijk door straten en de onderkoelde lopers klauterden als verkrampte harken naar de aankomst op de Muur van Bouxhmont.
Maar anno 2009 is de zon toch weer in een vrijgevige bui, straalt de open hemel strak blauw en stijgt het kwik tot tien graden. Ideaal weer dus voor een weliswaar pittige trip van 33 kilometer in de volle natuur.
We zijn neergestreken in Battice, een verloren dorp op een heuvel in het Land van’. Herve, dicht bij de Nederlandse en Duitse grens. De tijd lijkt hier stil te staan, behalve elke tweede zondagochtend van november wanneer zich altijd weer zo’n duizend onverschrokkenen wagen aan een van de zwaarste en meest schilderachtige loopwedstrijden van België.

Achter de tractor aan
Met veel kabaal rolt een tractor met aanhanger het dorpspleintje op. Op de wagen staan trommelaars uit alle macht op ijzeren olievaten te roffelen. Een ouder echtpaar schuifelt met knipperende ogen onwennig langs, een ander besje gluurt stiekem vanachter haar gordijn. De trommels blijven door dreunen en in een paar minuten lijken de lopers uit alle hoeken en spleten tevoorschijn gekropen en staan ze saamhorig en licht opgewonden te trappelen. We zien vooral mannen, weinig vrouwen en nog minder jongeren. Het merendeel wordt gevormd door veteranen die genoeg hebben van de populaire, maar ietwat voorspelbare stadsjoggings.
Wanneer de tractor vooruitrijdt, volgen de lopers braaf in zijn kielzog naar de eigenlijke startlijn, honderd meter verder bergafwaarts. Een debutant zou aangenaam verrast zijn: voor de ogen ontvouwd zich een weids panorama van een oneindige groenglooiende vallei. Zover je kijkt hangen er lichte wolken over deinende heuvels, waartussen zilveren beekjes kronkelen, koeien grazen, toefjes boomkruinen prijken en waar miniatuurboerderijtjes van natuursteen eeuwig standhouden in de kreukels tussen akkers en boomgaarden. Elke nerveuze loper zou bij dit uitzicht eens diep uitademen en zich meteen kalm voelen, ware het niet dat de omroeper luid blijft kwebbelen: 'Nous sommes heureux de vous laisser decouvrir le fahuleux paysage...'
De trommels roffelen luider en nog luider, en opeens, zonder dat er een startschot heeft geklonken, komt de menigte in beweging. Hij is vertrokken: een bonte maar moedige stoet bonkige semimasochisten en lichtere flyers dribbelt vooruit, gaat door de bocht, dendert de berg af en stuift of jogt ervandoor, vol verwachting de hel en de hemel tegemoet.

Geen 4 maar 17 bulten
Bernard Viaene is een van de vier organisatoren. Een kwart eeuw geleden kwam deze joviale West-Vlaming in Luik wonen en om zich onder de bevolking te mengen sloot hij zich aan bij een groepje lopers. Toen ze in 1986 plannen smeedden voor een wedstrijd, behoorde het tot Viaene’s taak het parkoers uit te tekenen. Hij trok zijn potlood niet blindelings over de kaart maar stipte gemene klimmetjes, venijnige afdalingen, valse plateaus, lichte haarspeldbochten, aarden wegen en smalle paadjes aan. Les Ouatre Cimes, dat zijn de vier bulten op het parkoers, namelijk de Croix de Charneux, Fort d’Aubin, Cim de Manhin en de Chapelle du Transpineu. Maar in totaal zijn er maar liefst zeventien heuvels te overwinnen. Niet dat het 33 kilometer lang bergop- en bergafwaarts gaat. Er is ook nog twee kilometer vlak: een verzameling strookjes van elk een paar honderd meter lang, die natuurlijk veel te kort zijn om op adem te komen.
Al met al had het parkoers nog veel zwaarder gekund, maar de prioriteit was: lopers op overweldigende vergezichten trakteren. Halverwege bijvoorbeeld, op Fort d’ Aubin, kun je uitkijken over heel Limburg, zo verzekert Viaene, bij helder weer zie je zelfs de oude mijnsteenbergen van Genk. In die kwart eeuw is de route ook nauwelijks veranderd. Dat komt ook doordat de organisatie met weinig vrijwilligers werkt. Vooraf staan er maar enkele vergaderingen op de agenda, en omdat het sowieso moeilijk is om op een parkoers van 33 kilometer de bevoorrading in goede banen te leiden, heeft elke wijk elk jaar opnieuw haar vaste taak. leder weet precies wat hem te doen staat.

Niets te winnen
Viaene herinnert zich nog goed de allereerste editie in 1986. We dachten dat er maar enkele tientallen liefhebbers zouden komen opdagen maar het waren er honderden. Op die overrompeling waren we echt niet voorbereid, bij de finish bijvoorbeeld was er veel te weinig drinken. Gelukkig was er die ochtend een veemarkt. Daar hebben we onze voorraad water gehaald, in emmers waar ochtends nog koeienmelk in was gegoten. De lopers hebben dus eigenlijk aangelengde melk gedronken, maar ze hebben niet geklaagd. Sindsdien is het deelnemersaantal sterk gestegen. Vroeger verschenen vooral Luikenaars aan de start, nu komt driekwart van de lopers uit Antwerpen, Brussel, Luxemburg, Nederland en Duitsland. Tegenwoordig loopt de top wat trager maar is de subtop wel breder. Viaene krijgt geregeld telefoontjes van managers van lopers die vragen wat er te verdienen valt. Niets dus. Of hun lopers een gratis ovenachting krijgen? Overnachten kan in de jeugdherberg, op eigen kosten. Daar schrikken ze even van. Op onze erelijst staan niettemin Belgische kampioenen als Eric Gerome, Peter De Vocht en Eddy Hellebuyck. Nooit hebben zij een premie gevraagd, maar geen mens die dat gelooft.
Als je je niet vergaloppeert, is de wedstrijd niet opvallend zwaar, is de mening van Viaene. En anders steekt er altijd wel een boer een handje toe. Ooit was een man veel te snel van start gegaan. Hij dacht dat er letterlijk maar vier heuvels heklommen moesten worden, en toen hij bij de eerste echte heuvel kwam, geloofde hij dat het om de laatste ging. Gelukkig stond daar een barmhartige boer aan de kant. Die nodigde de loper uit om even te bij te komen en bakte eieren met spek voor hem. De loper at rustig zijn bord leeg, bedankte de boer en besloot, goed aangesterkt als hij was, de wedstrijd te vervolgen. Hij liep nog als een van de hekkensluiters over de streep.

Marathon ervaring
Oud-winnaar Luc Alsteens is al een jaar geblesseerd maar komt graag polshoogte nemen. De 35jarige, frêle maar rasechte natuurloper heeft last van een peesontsteking, een gevolg van te veel bergwedstrijden in de Ardennen. Op de Ouatre Cimes was hij al vijf of zes keer van de partij. ’Omdat het parkoers zo afwisselend is. Als je niet in vorm bent en je het moeilijk krijgt, kun je tenminste nog altijd genieten van het uitzicht en heb je niet voor niets meegedaan. Maar als je al zo lang uit de roulatie bent als ik, zie je veel mensen niet meer. Het doet pijn niet te mogen lopen. Ik zou de gelukkigste mens ter wereld zijn als ik hier met een snelheid van twaalf kilometer per uur had kunnen lopen.’ De vriendelijke Alsteens wil me graag naar een paar kruispunten gidsen. Zonder marathonervaring moet je hier niet starten, waarschuwt hij. Meer zelfs: je moet deze wedstrijd aanpakken als een echte marathon en hem ook als dusdanig voorbereiden. Als je alleen halve marathons in de benen hebt, wordt het een marteling. Tot de 21ste kilometer moet je jezelf in toom houden. ’Velen vatten de wedstrijd te licht op en denken: het is maar een halve marathon plus enkele extra kilometers. Oké, een marathon weegt mentaal zwaarder omdat je op de tijd bent gefocust, maar na de Ouatre Cimes heb ik toch elke keer langer moeten herstellen. Je ondergaat hier immers voortdurend tempowisselingen. Dat moet je ook vooraf trainen, anders verzuren en verkrampen je spieren. Vooral het steil bergafwaarts lopen is slopend. Voor atleten met een grote pas is deze wedstrijd best te verteren, omdat de heuvels geen erg hoog stijgingspercentage hebben. Maar wie niet goed bergafwaarts kan lopen, is in het nadeel. Het komt erop aan ook dan geconcentreerd te lopen.

Houthakkersbenen
Laten we eens hij het 8-kilometerpunt kijken hoe moe de lopers al zijn. De eerste echte klim, de Croix de Charneux, ligt net achter hen. Dat is geen lange heuvel maar hij is wel steil. De snelste voelen dat nauwelijks, minder goede lopers zijn al een kwartier langer onderweg, en dat hoor je: het is stil geworden. Hoewel nog maar één vierde van het parkoers achter de kiezen is, blijkt het peloton al sterk uiteengerafeld, en het zal nog veel meer uitdunnen. Hoe verder achteraan, hoe meer zweetdruppels er glinsteren. Geen wonder: sommige lopers hebben duidelijk te veel kleren aangetrokken of zeulen een rugzak mee. Tot de 21ste kilometer moet je op reserve lopen. Zelfs Robert Zaradski, een van de koplopers, kan erover meespreken. De man woonde vroeger naast het parkoers en trainde er ook. Op een keer was hij vastbesloten als winnaar de finish te bereiken. Maar zijn ambitie was zo vurig, dat hij zijn kruit te vroeg verschoot. Toen hij zijn huis passeerde, stapte hij even uit de race. Hij ging naar binnen, nam een warme douche, trok een trainingspak aan, en zette de achtervolging in. Hij kwam nog voor de grote massa over de streep. Zaradski is houthakker. Hij zit hele dagen hoog in de bomen, dat zie je aan zijn benen’, zegt Alsteens. ’Dat is niet erg, want voor deze wedstrijd mag je best wat gespierder zijn. Dat de slingerende afdaling naar het 21 kilometerpunt geen pretje is, valt af te lezen aan de vertrokken gezichten en de hortende manier van lopen. Na de Cime de Mauhin ziet menigeen het zwart voor ogen, het is er vaak beuken tegen de wind. Er zijn geen groepjes meer, een voor een ploeteren de lopers in een lang lint voorbij.

Eindelijk, de finish
Het venijn zit in de staart. Na alweer een kwellende afdaling volgt een steile klim van vijfhonderd meter op de Muur van Bouxhmont, waar enkele uren eerder de start bergafwaarts plaatsvond. De omroeper vermeldt de namen van de binnenkomers en geeft onophoudelijk commentaar zodat niemand het gevoel krijgt een genummerde figurant te zijn. Terwijl de overgrote meerderheid van de deelnemers nog in volle actie is, kuiert tweede finisher Peter De Vocht al gedoucht en aangekleed in de aankomstzone rond. Enkele maanden na een operatie ontbreekt het hem nog aan de nodige vorm om onder de twee uur te duiken. In de laatste kilometers had hij vergeefs geprobeerd zijn tegenstander te lozen, zegt hij. Ook Pascale Martens, op stap met de atletiekclub van Hasselt, was al meerdere keren in Battice present en wist dus wat er haar op welke heuvel te wachten stond. Maar het is de eerste keer dat ze zich achteraf wat stram voelt. ’Ik had enkele heuveltrainingen overgeslagen en dat heb ik gevoeld. lk heb me de moeite getroost vaak naar links en naar rechts te kijken, want daarvoor waren we toch gekomen. lk loop hier veel liever dan in de stadsmarathons zoals in Brussel: hier willen de organisatoren je tenminste in het Nederlands aanspreken.’ Voor zestiger Marcel De Canek staat er over een paar dagen weer een vlakke marathon op het programma. Dit was een van zijn vele wedstrijden. Soms werkt hij er zelfs twee per weekend af.

Casse Croute
De Ouatre Cimes toont aan dat een memorabele loophappening ook geheel gratis kan, sterker nog: dat iedereen er wordt getrakteerd. Terwijl in vele andere wedstrijden de mindere goden onbewust moeten meebetalen voor geldprijs, gaat in Battice de nummer 1 alleen met een tinnen schaal naar huis. De bevoorrading onderweg, met bekers water en energiedrank, stelt niet minder voor dan die in marathons waarvoor je tientallen euro’s moet betalen. En iedereen, van de eerste tot de laatste, mag ’s middags in de grote zaal aanschuiven voor de befaamde casse-croute, ofwel hapje. Die omvat een bord met vier sneden vierkant grijs brood, twee blokjes kaas uit Herve, een plakje andere kaas wat stroop en boerenboter. Allemaal producten uit het Land van Herve. Na zo’n maagomkerende inspanning krijgt de ene al wat moeilijker iets door de keel dan de ander. De vette kaas ruikt scherp en vormt in combinatie met boter allicht niet de ideale voeding na een harde dag. Maar wie honger heeft, lust alles, zeker als het niets kost. Alleen voor de drank, zoals voor het lokale Val Dieu-bier, moet worden betaald. De plaatsen aan de lange tafels in de zaal worden snel bezet zodat je tussen een kluwen van armen en benen moet kruipen en je hard moet roepen en liplezen om elkaar door het geroezemoes en de orkestmuziek heen te verstaan. Aan het eind van de middag, als iedereen zijn buik gevuld heeft, gaan de tafels aan de kant en wordt er gedanst. Is het niet gezellig roept Bernard Viaene te midden van het volk. Hij heeft net het parkoers bereden om de laatste wanhopige zielen op te pikken. Anderhalve kilometer voor het einde heb ik nog een vrouw opgepikt die er helemaal doorheen zat. Ik heb haar meegenomen en gedeponeerd bij de fysiotherapeuten. Ze hebben haar een stevige massage gegeven want daar was ze wel aan toe.

Zeg, volgend jaar (14-nov-2010) vieren we onze 25ste editie. Jullie komen dan toch allemaal terug?
We gaan er zeker iets speciaals van maken.